Getuigenissen‎ > ‎

Sterre, 4 juni 2009

dinsdag 2 juni 2009

 

Dag lieve Sterre. Ik weet nog niet of je een jongen of een meisje bent maar ik gok op het laatste. Dus noem ik je Sterre. Je bent nu bijna 15 weken oud en zit veilig en wel in mijn buik. Je slaapt, je eet, je groeit. En je bent zwaar gehandicapt.

 

Maar dat weet jij niet. Wij weten het wel. Ik heb staan janken als een gewond dier toen ik dat telefoontje kreeg. Nu zit ik onwezenlijk kalm achter onze laptop en schrijf ik je een brief. Hoe kan ik in hemelsnaam kalm zijn? Dat klopt niet, dat is niet goed. Misschien ben ik op de één of andere manier in ontkenning. Zelfbescherming, omdat de pijn anders niet te harden is, denkt de huis-, tuin-, en keukenpsychologe in mij. Hoe schrijf je een woord als huis-, tuin-, en keukenpsychologe eigenlijk correct? En waarom hou ik me bezig met zo’n details als spelling?

 

Je papa staat buiten in de tuin met een vriend te bellen. Wij hebben al veel over jou gepraat en geschreven met vrienden. Voor anderen was je nog niet tastbaar aanwezig en zal het net zijn alsof je nooit bestaan hebt. Maar voor ons ben je wel degelijk hier, nog even toch.

 

En nu krijg ik het moeilijk...

 

Duizend en één vragen hebben we onszelf gesteld. Hoe zal je leven zijn? Zal je gelukkig worden? Wie zal voor je zorgen als wij er niet meer zijn? Zal ons gezin de zorg voor jou aankunnen? Zal je pijn hebben? Zal je boos zijn omdat je er bent? Zal je beseffen dat je anders bent, dat je minder kansen hebt? Zal je een band krijgen met ons en met je broertje? Zal je lachen en plezier hebben? Zal het leven de moeite waard zijn voor jou? Zàl je leven?

 

En dan moeten wij beslissen. Of we jou verder laten groeien in mijn buik. Of niet. Ik kan het bijna niet vatten dat wij voor het laatste gekozen hebben. “Je voelt je daar toch niet schuldig over?”, vroeg iemand me daarnet een beetje verwonderd.

 

Je zal nooit onze huid op de jouwe voelen. Je zal nooit onze lieve woordjes horen. Je zal ons nooit slaapliedjes horen zingen. Je zal ons nooit zien. Je zal ons nooit ruiken. Je zal nooit aan mijn borst drinken. Je zal nooit het gras uit onze tuin aan je voetjes voelen kriebelen. Je zal nooit met je broertje in de zandbak spelen. Ruzie maken zullen jullie ook nooit doen. Kusjes geven evenmin. Je zal nooit in papa’s stoppelbaard kriebelen. We zullen nooit met ons vieren in bad gaan. Of samen lachen. Of samen huilen.

 

Overmorgen laten we jou sterven, ik hoop zachtjes. Ik voel me zo laf omdat ik niet durven vragen heb of je pijn zal voelen. Er zal iets fout gaan met de bloedtoevoer en je kleine kloppende hartje zal ermee ophouden. Dat heb ik wel gevraagd. Het was zo fijn je hartje te horen kloppen tijdens de echo. Het klonk als een heel stevig hartje, vastbesloten om er te zijn. Je zag er erg vinnig uit. Je was volop aan het draaien en bewegen in mijn buik. Je leek vastbesloten ons even alle kanten van jouw kleine lijfje te laten zien. We waren verrukt. Ergens kan ik nog steeds niet geloven dat er iets mis is met jou, je zag er gewoon perfect uit.

 

Je denkt vast dat wij jou niet willen omdat je net níet perfect bent, niet goed genoeg voor ons, te veel een last. Ik vind dit een verschrikkelijke gedachte. Wie zijn wij om te bepalen dat jouw leven niet kwalitatief genoeg zal zijn? In vergelijking met wat eigenlijk? Wie of wat hanteren wij als maatstaf?

 

We durven gewoon het risico niet te nemen. Het risico dat je zal moeten lijden. Het risico dat je naast het syndroom van Down ook zware fysieke afwijkingen zal hebben. Hartproblemen waardoor je bijna geen fysieke inspanningen zal aankunnen. Andere problemen waardoor je meer binnen dan buiten het ziekenhuis zal leven. Een leven met veel boosheid omdat je bent wie je bent. Maar je zou ook het meisje kunnen worden dat mijn zus dit weekend langs zag fietsen, vrolijk taterend tegen haar papa, samen op de tandem aan het genieten van de lentezon. Wij geven je geen kans dat meisje te worden, en dat is hard. Iemand zei ons dat we een moedige beslissing namen. Maar zijn we niet gewoon laf en angstig voor het onbekende? Zo voelt het wel.

 

Onze gynaecologe is een grote steun en heeft ons beloofd dat we jou mee naar huis mogen nemen. We willen absoluut niet dat jij zomaar met het ‘medisch afval’ verdwijnt. In de vuilnisbak van het ziekenhuis. Dat is geen optie. Totaal niet. Niet ons kindje. We moeten een plastic doos meebrengen, een lege roomijsverpakking of zo. Maar ik wil jou helemaal niet in een lege roomijsverpakking mee naar huis nemen. Daarom gaan we samen een mooie doos voor jou zoeken. Morgen. We willen je begraven in de lege vijver onder onze haagbeuk, het is een mooie plek die je jammer genoeg nooit zal zien. Ik hoop dat je niet te gehavend zal zijn en dat we nog even naar jou zullen kunnen kijken. Maar de kans is groot dat dat niet zal kunnen.

 

Ik moet nu stoppen met schrijven want het gaat niet meer, ik ben even niet meer gevoelloos.

 

 

woensdag 3 juni 2009

 

 

Dag lieveke. Schrijven is moeilijk. Vandaag is het jouw laatste dag in mijn buik. Elk uur dat voorbij glijdt, komt nooit meer terug. Ik kan de pijn steeds moeilijker tegenhouden, het lukt me niet meer. Ik belde daarnet naar het ziekenhuis, omdat ik eigenlijk niet precies weet waar ik me morgenvroeg om 6u30 moet aanmelden. Bij het verloskwartier, zo blijkt. Ze gaan me verlossen van jou. Na dat telefoontje ben ik ingestort.

 

Ik moet onwillekeurig terugdenken aan die ene keer dat ik al een verloskwartier bezocht heb, in een ander ziekenhuis. Nu bijna twee jaar geleden. Je papa en ik waren allebei opgewonden en ook wel een beetje bang. Helemaal klaar voor een fantastische ervaring die ons leven op zijn kop zou gooien, we kregen een kindje, je broertje werd geboren. Nu moeten we een kindje afgeven, jij. Je zal daar sterven in plaats van er geboren te worden... zoals het had moeten zijn, zoals het gepland was, zoals we het zo verschrikkelijk graag wilden.

 

Je broertje slaapt nu, misschien jij ook wel. Straks kopen we samen een doosje waarin we je mee naar huis kunnen nemen, morgen. Je grafje is nog niet gegraven, ik weet nog niet wanneer we dat zullen doen. We moeten morgen zien te overleven. Ik zie nog niet goed hoe ik dat zal doen. Overleven. Verder leven. De zon schijnt buiten, dat lijkt niet te kloppen. Ik hoor mensen lachen, een paar tuinen verderop, ik haat ze erom. Dit is de vreselijkste beslissing die ik ooit genomen heb.

 

Daarnet zat ik verschrikkelijk te snikken in de badkamer. Vanuit het raam zie je de kruin van onze beuk. De takken zwiepten heen en weer door de wind, alsof ze naar mij zwaaiden. Ik stelde me voor dat jij het was, daar onderaan die boom begraven binnenkort. Dat vond ik wel goed.

 

Ik maak m’n tas voor morgen. Een pyjama. Een handdoek. Papieren zakdoekjes. Ondergoed. Maandverbanden. Tijdschriften. Geen kleertjes voor jou. Compleet de verkeerde tas, dat besef ik maar al te goed.

 

Ik weet niet meer wat te schrijven, ik voel me leeg. De volgende keer dat ik iets schrijf, zal je er niet meer zijn. Dat vooruitzicht is ondraaglijk. Ik kan me er maar niet bij neerleggen, ook al heb ik dit mee beslist. Ik zie je graag en ik beëindig jouw leven. Dit klopt niet. Ik beëindig jouw leven en ik zie je graag. Ook niet. Ik beëindig je leven omdat ik je graag zie? Hoe overmoedig. En hoe klein ben ik als mens om dat te doen?

 

We eten frieten voor de televisie. Een viandel en een frikandel. Stoofvleessaus. Ketchup. Cola. Ik wil vuiligheid eten. Gezond eten is niet meer nodig, je bent bijna weg. Toch maar een tomaat erbij, al sla je me dood waarom. We kruipen stil in bed. Ons zwijgen voelt loodzwaar.

 

Voor de allerlaatste keer wrijf ik mijn buik in. Voor het aller-allerlaatst slapen we samen. Jij en ik. Jij in mijn buik. Je papa houdt ons vast. Ik huil mezelf in slaap. Zoals elke avond.

 

 

donderdag 4 juni 2009

 

 

Halfzes. Vandaag laten we jou, mijn levend lief kindje, mijn Sterre, sterven. Uit mijn buik. Ga je dood.

 

Geen levende ziel op straat. Alleen wij tweeën. Drieën eigenlijk. Ik heb zin om te gillen. Iedereen wakker. Ons kindje sterft vandaag! Maar het blijft stil. We rijden naar het ziekenhuis. Het gebouw kijkt ons dreigend aan, vind ik zo ineens. Ik sleep me uit de ondergrondse parking naar boven. Dit gaat echt gebeuren. Vandaag.

 

Aanbellen bij het verloskwartier. Hier heb ik gisteren in bed over gepiekerd. Wat als een vroedvrouw na een verwonderde blik op mijn kleine buik vraagt waarom wij in hemelsnaam aan de deur staan? Ik fantaseer nog even over hoe het geweest zou zijn om hier zes maanden later aan te bellen, met een koffertje vol babyspullen. Opgewonden en blij uitkijkend naar dat langverwachte moment waarop we je kunnen vasthouden en bewonderen. Je stemmetje horen. Dat moment komt er niet. De deur zwaait open om 6u30, we staren zwijgend naar een vroedvrouw in een lege gang. Ze verwacht ons, ze weet zonder één woord direct wie we zijn en ze loodst ons een verloskamer binnen. De stap is gezet.

 

Ik was zo blij dat die vroedvrouw wist wie we waren. Dat de gang leeg was. Geen glunderende 9 maand bolle buiken in de buurt. Ik ben haar naam vergeten. We hebben haar maar een half uurtje gezien. Haar shift zat er op om 7u. Maar ze bracht alvast een tabletje in, helemaal tot tegen mijn baarmoederhals aan. Zodat die zal verweken. En jij eruit kan. Eruit moet.

 

Wachten. Op een volgend tabletje, drie uur later. We zitten samen op bed en staren naar buiten. Een weids panorama over de stad die langzaam ontwaakt. Een wolkendek even grijs als de gebouwen eronder. Eén open plek waar de ochtendzon doorheen priemt. Oranjegele stralen dalen neer. Het had perfect een bijbels tafereel kunnen zijn. Jammer genoeg zijn we niet gelovig. Het zou een troost zijn te geloven dat jij langs deze zonnestralen de hemel zou bereiken. Hoog boven de wolken, waar de zon altijd schijnt. Ik verlang ernaar. Daar nu zijn. Rijstpap eten met gouden lepeltjes, zoals bomma het mij vroeger vertelde.

 

De volgende vroedvrouw stelt zich voor, Ellen. Geeft ons een foldertje van het ziekenhuis, over afscheid nemen van een ongeboren of doodgeboren kindje. Er zal iemand van de sociale dienst langskomen, om even te praten. Daar heb ik niet veel zin in, ik ben eigenlijk het liefst alleen met je papa. We lezen tijdschriften om de tijd te doden. Geen geschikte uitdrukking in dit geval. Leggen de tijdschriften naast ons neer en poberen nog wat te slapen.

 

Ik staar naar buiten, de stad is wakker, het leven gaat verder. Ik ben een toeschouwer vanop de zevende verdieping. Ik staar naar de klok en tel de seconden steeds maar opnieuw. Weer een minuut voorbij. Nog even zwanger van ons kindje, je leeft nog, nu nog wel. Ik staar naar de ingelijste affiche met als titel ‘Borstvoeding is...’. Niet van toepassing, denk ik erbij. Verschillende keren die dag.

 

Af en toe hoor ik een baby huilen. Of is het een deur die piept? Het stoort me niet. Had ik niet verwacht. Ik denk glimlachend terug aan de nacht dat je broertje geboren werd. In het verloskwartier van een ander ziekenhuis. Ik had helse pijn en trok me op aan de huilende baby’s die ik hoorde geboren worden. Straks is hij er, straks huilt ook mijn baby. Die gedachte gaf me moed en maakte me blij. En toen was hij er, ruw uit mijn lijf getrokken door de gynaecoloog van wacht, in een vorig leven vast slager geweest. Zijn hoofdje beschadigd door de ventouse. Omwikkeld met een doekje zodat ik niet te hard zou schrikken. Zalig drinkend aan mijn borst met ogen zo zwart als de nacht. Zo diep dat ik erin kon verdrinken. Nog steeds. Zou jij ook zo’n ogen gehad hebben Sterretje?

 

Een beleefd klopje op de deur. Ze stelt zich voor als Marjan van de sociale dienst en komt er even bij zitten. Wij weten niet goed wat gezegd. Vraagt of we het foldertje gelezen hebben. Ja. Ik vertel dat we van plan zijn jou thuis te begraven omdat we jou niet in het ziekenhuis willen achterlaten. Marjan vertelt ons dat we jou ook mogen begraven op een kerkhof of laten cremeren, ook jij die nog zo klein bent. Dat is een hele opluchting. Want dat wouden we eigenlijk het liefst, een crematie. Ik had al manieren zitten bedenken om dat zelf te doen. Praatte erover met je papa. Vroeg hem of dat zou lukken in onze BBQ. Hij keek me aan alsof ik gek was. Misschien ben ik dat wel.

 

Half tien gepasseerd. Tijd voor het tweede tabletje. Lichte contracties. Het moment van afscheid nemen komt er onafwendbaar aan. Ik vraag me af wanneer je precies zal sterven. Zullen deze contracties jouw bloedtoevoer onderbreken? Zal je hartje straks stoppen met kloppen? Ik begrijp niet waarom ik zo rustig ben. Maar ik ben er wel blij om. Zo kan ik sereen afscheid nemen van jou. Ik wil hier niet instorten, ook al is iedereen erg met ons begaan. Marjan komt nog eens langs. We praten nog wat. Tot straks dan maar.

 

Weer wachten. Je papa gaat nog snel een broodje halen. Ik verlies bloed nu. Seconden tellen, van één tot zestig, opnieuw en opnieuw. ‘Borstvoeding is...’ nog steeds niet aan de orde. Ik staar gebiologeerd naar de elektronische klok. Ik word er rustig van. Rode cijfers tellen op. Voor mij tellen ze af. Een beetje zoals een tijdbom. Van één tot zestig, weer een minuut voorbij. Een minuut die nooit meer terugkomt.

 

En dan het laatste tabletje. Half twee, de operatiezaal is vrij. Tijd om een ziekenhuishemd aan te trekken. Ik krijg diarree. Nog heel even uitstel. Nog even snel wassen. Tijd om te gaan. Op mijn rug in het ziekenhuisbed, ik staar omhoog. Je papa en de vroedvrouw rollen me naar het operatiekwartier. Afscheid nemen van je papa, een kus, ik huil niet, hij ook niet. Even wachten voor ik de operatiezaal binnen mag, nog een paar vragen beantwoorden. Ik huil niet. Versteend in mijn bed.

 

De verpleegster die voor de operatiezaal verantwoordelijk is, komt me halen. Het is niet makkelijk om zo’n ziekenhuisbed in je eentje rond te rijden. We botsen zachtjes tegen één en ander. Ze verontschuldigt zich herhaaldelijk maar het maakt me niks uit. Ik kijk nog even op de klok, half drie ondertussen. Ik klim op de operatietafel, die is heel smal en heel kort. Ik blijf roerloos liggen zodat ik er niet afval. Krijg nog even een dekentje over me heen. Leg mijn hand beschermend op mijn buik.

 

Ik hoor de anesthesist. Een man. Hij is niet tevreden. Vaart uit tegen de verpleegster, deze ingreep was om drie uur gepland en geen half uur eerder. Ventileert verder zijn ongenoegen. Genante situatie. Waar ik nu eigenlijk geen behoefte aan heb. Fijn dat mijn gynaecologe binnenkomt en vraagt hoe het met me gaat en of ik er klaar voor ben. Ik herinner me niet meer wat ik daarop geantwoord heb.

 

De anesthesist heeft er steeds meer de pest in. Hij staat achter mijn hoofd, stelt zich niet voor, laat zich niet zien. Blijft een stem op de achtergrond. Vraagt waar de voetbeugels zijn. Die zijn er niet. Ik hoor de verpleegster iets vragen over een hysterectomie. Nee dat is de volgende ingreep. Hoor ik mijn gynaecologe droog antwoorden. Consternatie alom. Niet goed op de lijst gekeken. De verpleegster wordt steeds kleiner. Laat alstublieft mijn baarmoeder zitten. Denk ik nog gauw.

 

En dan krijg ik elektroden opgekleefd. Het infuus aangesloten. De anesthesist zegt dat ik nu in slaap zal vallen. Het laatste wat ik denk is dat ik helemaal niet in slaap zal vallen, ik ben klaarwakker. En dan vecht ik niet meer en ben ik weg. Waarom is mijn laatste gedachte niet naar jou gegaan lieve Sterre?

 

Iemand maakt me wakker op de ontwaakzaal. Had me toch gewoon laten slapen mens.

 

Lang hoef ik er niet te blijven. Twee verpleegsters komen me halen. Ik staar omhoog en geef geen kik. Het operatiemutsje mag af. Ik probeer terug te glimlachen. Uit de lift en in een gang. Ik herken dit niet, vraag waar ik ben. De kraamafdeling. En ze rollen me een lege kamer binnen. Uw man is hier niet? Ik antwoord rustig maar gedecideerd. Dat hij in het verloskwartier op mij wacht, in onze kamer. Dat ik daarheen wil. Dat ik hier niet wil zijn. Eén telefoontje en nog geen vijf tellen later verlaten we de kraamafdeling. Excuses. Leek haar inderdaad vreemd voor iemand in mijn situatie. Opgelucht dat dit snel en efficiënt opgelost werd. Maar ik krijg er geen bedankje uit. Zwijg en staar verder omhoog. Probeer te doen alsof ik hier niet echt ben, alsof deze dag niet echt bestaat.

 

Veilig terug in mijn kamer, op het verloskwartier. Waar je papa is. En een andere vroedvrouw, Ellen haar shift zit erop. Beetje water drinken. Bijkomen. Wachten op onze gynaecologe. Daar is ze dan.

 

Het is haar niet gelukt om jou intact uit mijn buik te halen. Mijn baarmoeder, een spier, trok samen. Je lijfje was nog zo zacht en kwetsbaar. Je bent in stukjes, een kapot popje. We wisten dat de kans dat dit zou gebeuren groot was. Of we nog een stukje van jou kunnen zien, hoor ik mezelf vragen. Een handje en een voetje, om afscheid van te nemen. Het hoofdje? Neen, geen hoofdje meer. Een klein schattig neusje zoals je broertje, mooie lipjes... ik herinner het me nog zo goed, tijdens de echo, lang geleden lijkt het wel.

 

Ze komt terug met een klein wit handdoekje, een stukje dubbelgevouwen, waaruit een piepklein handje en een piepklein voetje piepen. Ons kindje, jij, Sterre. Ik neem het handdoekje aan en begin te huilen. Voor het eerst die dag. Je papa wist niet of hij durfde kijken, maar hij staat direct naast mij. Jij bent dan ook helemaal niet griezelig. Ik vraag haar of ik je mag aanraken. Waarom vraag ik daar in hemelsnaam toestemming voor?! Zou ik toch ook niet doen mocht je leven? Mag ik mijn baby aanraken alsjeblief? Belachelijke vraag.

 

Klein en rozig en heel zacht. Zo zijn je voetje en je handje. Je handje ligt heel stil, met de rug van je hand naar boven. Vijf vingertjes dicht tegen elkaar aan. Een perfect handje, zo groot als de nagel van mijn pink maar met alles erop en eraan. Geen enkel beentje ontbreekt, je vingertjes zijn lichtjes geplooid, alsof je iets onder je handje verstopt. Je hebt zelfs nageltjes, ieniemieniekleine nageltjes, ik vind het ongelooflijk. Naast bewondering en ontroering voel ik ook een keiharde klap in mijn gezicht, jij bent nog te klein, jij bent mijn kindje, we hebben jou uit mijn buik laten halen!

 

Je voetje ligt met de zool naar boven. Ik kan niet goed alle teentjes onderscheiden, ik tel er maar vier. Ik streel je handje en je voetje. Je papa ook. We laten haar met jou vertrekken maar ze is de kamer nog maar uit en ik heb er al spijt van. Je papa gaat je snel terug halen en we blijven met jou alleen. Wij tweeën en jij, ons kapotte kindje, in een handdoekje op mijn schoot. Dit is alles wat er overblijft van jou, dit is alles wat we ooit zullen zien en aanraken van jou, we hebben jou stuk gemaakt. Harder en confronterender wordt het niet. Denk ik.

 

Jou aanraken voelt een beetje als een snoepje aanraken. Je lichtroze handje en voetje zijn héél lichtjes doorschijnend en een klein beetje klevering, als gelei. Alsof je een snoepje bent. Een klein zacht snoepje. Je bent om op te eten. Tot mijn eigen afgrijzen wil ik je ook echt opeten. Dan kan je bij mij houden, voor altijd in mij! Is mijn eerste idee. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Toch kan ik mijn gekke idee niet zomaar van me afschudden. Ik moet me echt bedwingen en ben bang dat ik je effectief ga opeten. Ik beeld me in dat de gynaecologe of vroedvrouw terug binnenkomen en verschrikt vragen wat er met je handje en voetje gebeurd is. En dan moet ik bekennen dat ik je opgegeten heb. Afgrijzen en ongeloof op hun gezicht.

 

Jouw handje en voetje onder mijn huid inplanten, zodat ik je altijd bij mij kan dragen. Ook dat schiet door mijn hoofd. Ook dat plan laat ik varen wegens in praktijk niet uitvoerbaar. Je papa neemt nog een paar foto’s met zijn gsm. Fototoestel vergeten. We geven je terug af. Marjan neemt later nog een paar heel mooie foto’s. Onze enige foto’s van jou. Twee vroedvrouwen doen hun uiterste best en slagen erin een paar afdrukjes met inkt te nemen. Ook die krijgen we mee. Het is niet veel maar het is alles wat we hebben. Onze enige herinneringen aan jou. Levensbelangrijk zijn ze. We zijn zo blij dat we dit weinige kunnen meenemen naar huis, straks.

 

Ik eet eerst nog een boterham met kaas. Razende honger heb ik. Ik probeer opgewekt te doen, sterk en berustend, zoiets. Dat gaat me aardig af. We hebben nog een gesprek met Marjan, we zien haar maandag terug. Ik moet eerst plassen voor ik naar huis mag. Mag me weer aankleden. Je papa helpt me. We bedanken de vroedvrouw. Wandelen de nog steeds lege gang door, weg uit het verloskwartier. Ik kan het niet helpen maar ik vraag me af of we hier ooit nog zullen terugkomen en zo ja in welke omstandigheden...

 

Arm in arm verlaten we het ziekenhuis, wandelen we de lange helling naar beneden, verder richting ondergrondse parking. Ik ben iets of beter gezegd iemand verloren, jou. Mijn leven zal nooit meer helemaal hetzelfde zijn. Klinkt dit erg pathetisch?

 

We rijden naar huis, halen onderweg nog een vegetarische pastaschotel af. Die achteraf veel te pikant blijkt, volgens onze darmen. We eten dit op voor de televisie. Ik kijk naar een tv-programma maar ik zie het niet. Ik kijk opzij, je papa zie ik wel. Dit klopt niet. Denk ik. Zie ons hier nu zitten. Alsof er niks aan de hand is. Terwijl alles compleet fout is, compleet verkeerd. Afgelopen.

 

Niet veel later explodeert alle pijn en wanhoop als een bom in mijn hoofd, in mijn lijf. Ook ik ben kapot, helemaal in stukjes. Ik schreeuw en ik jank en ik roep mijn verdriet uit. Ik ween met lange uithalen. Ik blijf wenen. De hele avond, een stuk van de nacht, in de armen van je papa. Tot ik uitgeput in slaap val en me afvraag of het vandaag nu jouw geboortedag of jouw sterfdag was. Of allebei. En in welke volgorde dan wel.

 

 

vrijdag 5 juni 2009

 

 

Ik herinner me bijna niks van deze dag. Ik lig in de zetel en huil. Ik zap van het ene tv-programma naar het andere, in de hoop even niet te huilen, maar de tranen blijven komen. Ik huil en huil en huil. En zap verder. Ik ben een vod, ik ben leeg, ik wil niet meer verder.

 

 

zaterdag 6 juni 2009

 

 

Lieve kindje. Ik heb nog helemaal niks gekocht voor jou. Geen hemdje, geen kousjes, geen mutsje. Ik durfde niet. Te bang dat ik je zou verliezen. Nu zijn we je ook echt kwijt. En heb ik spijt dat ik nooit voluit durven genieten heb van je korte tijd in mijn buik. En als een gek spulletjes voor jou gekocht heb.

 

Straks gaan we een doosje zoeken om je as in te bewaren. Weer een doosje, maar nu één dat aan andere eisen moet voldoen. Het moet goed sluiten. Het is liefst niet te groot. En vooral, het mag er niet uitzien als een typische urne. We vinden het belangrijk dat we zelf iets vinden, een doosje dat we persoonlijk uitgezocht hebben, geen standaard kleine witte urne die het crematorium voor overleden kindjes voorstelt. Het moet iets van ons zijn en iets unieks, want jij was ons kindje. Uniek.

 

We hebben maar één dag de tijd want maandagochtend rijden we om 8u terug naar Marjan om alles voor te bereiden. Terwijl je broertje nog een middagdutje doet, trek ik alvast de stad in. De zon straalt. Uitgelaten mensen shoppen onbezorgd. Bevreemdend is dit. Ik hoor hier niet thuis, ik pas niet meer in deze wereld.

 

Ik fantaseer dat ik voorbijgangers aanval. Bijvoorbeeld die vrouw van dat koppel dat arm in arm loopt. Ik zou haar hard kunnen duwen. Hij lijkt me een wat opgefokt type. T-shirt gespannen over zijn biceps, tatoeage goed zichtbaar. Wat zou er gebeuren? Hij zal me vast te lijf gaan. Het lijkt de enige manier om hier deel van uit te maken.

 

Ik voer mijn plan niet uit en stap met m’n hoofd tussen m’n schouders doelbewust naar de winkel waar ik heen wil. Ik probeer zo weinig mogelijk op te kijken maar kan het af en toe niet laten. Mensen begluren die genieten van een dagje ‘stad’. Jaloers. Ik had hier kunnen lopen in mijn aansluitend bloemenkleedje waarin iedereen mijn mooie buik zou zien. Trots en blij, op zoek naar dat eerste cadeautje voor jou.

 

In plaats daarvan vind ik snel wat ik zoek, een hoge smalle cilinder. Een theeblik eigenlijk. Bekleed met mooi papier, bloemenmotieven, sober of kleurig. Onbreekbaar. Dubbel afsluitbaar. Dit is iets. Ik loop nog snel een aantal andere winkels af - zonder resultaat - en doe een paar boodschappen. Als ik klaar ben, zijn je papa en je broertje er ook. Samen stappen we terug naar die eerste winkel.

 

Vanuit mijn ooghoek zie ik een vrouw naderen, ooit studeerden we samen, naar mijn gevoel een eeuwigheid geleden. Ik zet mijn blik op oneindig maar ze begroet me net op het moment dat we elkaar kruisen. We wisselen een paar beleefde woorden, ik voel me lamgeslagen en kan geen energie opbrengen voor dergelijke non-gespekken.

 

Ik heb al de hele tijd zin om te gillen.

 

Veilig in de winkel nu. Samen kiezen. Ik had mijn oog laten vallen op een rood-groene versie met spiraalvormige bloemenstroken maar je papa vindt kleine witte bloemetjes op een inktblauwe achtergrond soberder. Dat is ook zo. Onze keuze typeert ons beiden. Ik moet er ondanks alles in mezelf een beetje triest om glimlachen, nu ik dit zo schrijf.

 

Die witte bloemetjes zien er zo breekbaar uit, net als jij. Dus kopen we het gauw. Nee het is geen cadeautje, het hoeft niet ingepakt, dank je. Het weegt haast niks, toch voelt het winkeltasje loodzwaar als we terug buiten staan.

 

Gauw nog luiers voor je broertje kopen. Nummer vijf. Geen luiers nummer één meer nodig.

 

 

zondag 7 juni 2009 

 

 

Dag Sterretje. Vandaag zijn we gaan stemmen, Vlaamse en Europese verkiezingen. Vandaag maak ik een dekentje voor in je kistje. Het voelt zo onwerkelijk dat de wereld blijft verder draaien.

 

Marjan vroeg ons donderdag of we iets in je kistje wouden leggen, intuïtief klonk het ‘ja, dat willen we’. Ik pijnig me al dagen het hoofd. Wat kunnen we jou meegeven? Ik wil niet dat de plek waar je nog even kort zal rusten koud, hard en onpersoonlijk is. Ik zal je nooit in je bedje kunnen stoppen, het enige wat me rest is je kistje klaar te maken, dat wil ik dan ook goed doen.

 

Ik zocht naar iets persoonlijks, iets dat ik zelf kan maken, iets symbolisch ook, een manier waarop we toch alle vier samen kunnen zijn. Met jou verdwijnt er ook een stuk van ons. Ik heb daarom een plukje haar van mij, van je papa en van je broertje in een borstzakje van een hemd van je papa gestopt. Hij heeft het hemd vaak op zijn blote vel gedragen, ik heb het linkerborstzakje uitgeknipt, dat droeg hij immers op zijn hart.

 

Helemaal onderaan in het kistje heb ik een dekentje gelegd. Uit een grijze fleece trui die ik heel graag en vaak droeg, heb ik een rechthoekig stuk geknipt. Je papa heeft daarbij geholpen. Ik heb het dekentje afgebiesd met een gele siersteek en ik heb er gele sterren op geborduurd. Met lint dat ik van je oma gekregen heb. Vanacht slapen we met het dekentje tussen ons in, zodat onze geur bij jou zal zijn. Dichter dan dat geraken we niet meer bij jou.

 

Op het dekentje ligt niet alleen het borstzakje maar staan ook twee vrolijke vilten slofjes, oranje en turkoois. Ik maakte ze toen in zwanger was van je broertje, hij heeft ze vaak aan zijn voetjes gehad. Jij zou ze ook gedragen hebben. Ik geef ze daarom mee.

 

Zo heb je iets van ons allemaal bij jou.

 

Het doet onnoemlijk veel pijn dat ik voor jou alleen een dekentje voor in je kistje kan maken en niks anders. Er is niks anders meer.

 

 

maandag 8 juni 2009 

 

 

We zijn net terug van het ziekenhuis. Marjan bracht ons jouw kistje. Het leek een beetje op een wijnkistje, maar dan een ander formaat. Sober, in hout. Het kistje was dichtgeschroefd. Ze had enkele schroeven wat losser gemaakt, een opening net groot genoeg om er een briefje door te schuiven. Dat was aanvankelijk ons plan.

 

Ik huilde zonder geluid, jouw opgerolde dekentje in mijn handen geklemd. Terwijl ze er alle schroeven één voor één uitdraaide. Het leek oneindig lang te duren.

 

We kregen een paar momenten alleen met jouw kistje. Het dekentje dat ik gemaakt had, bleek op een paar millimeter na perfect even groot als je kistje. Bijna griezelig. Ik heb nog eventjes aan je dekentje gesnuffeld en heb het dan mooi neergelegd op de bodem. De slofjes aan het ene eind, het borstzakje dubbelgevouwen aan het andere eind. Tussenin de gele sterren waarop jij, ons gebroken kindje, kan rusten.

 

Zo is het goed. Ik heb alles precies neergelegd, zoals ik ook je dekentje in het park heel precies neergelegd zou hebben, met wat speelgoed en knuffels op welbepaalde plaatsen. Alles op zijn plek. We hebben er een foto van genomen. Wanhopig herinneringen bij elkaar sprokkelen.

 

Je papa en ik hebben in elkaars armen gehuild boven jouw kistje. We hebben zo ongelooflijk hard naar jou verlangd.

 

Ik vraag me af hoe het geweest zou zijn om je zelf in je kistje te leggen. Had ik niet beter voor een gewone bevalling gekozen zodat we je kleine lijfje hadden kunnen vasthouden? En kussen. En knuffelen. En zoveel meer. Het doet er niet meer toe. Het is nu zo gegaan. Het knaagt alleen dat we je nooit in je kistje zullen zien liggen. Ze zullen er toch geen ander kindje in leggen?

 

Mijn borsten voelen pijnlijk aan. In het ziekenhuis leken alle borstvoedingsaffiches op me af te komen. Baby drinkt en knort aan mama’s borst. Lekker veilig, lekker warm. Zo zou het geweest zijn, jij aan mijn borst. Messteken in mijn hart.

 

Weer thuis. Schrijven en huilen. In mijn hoofd schrijf ik de hele dag door brieven aan jou, weet jij dat kleine schat?



Comments